Icon search Icon Facebook Icon instagram Icon Twitter Icon Play ANBI icon-checkbox BankGiroLoterij Logo-CBF Bijzondere-locaties Bijzondere-locaties Monument-en-Bed Monument-en-Bed Museumhuizen icon-huren-nav Museumhuizen Hendrickdekeyser Hendrickdekeyser icon-maps icon-left icon-right icon-close icon-phone-call icon-email Kamers icon-lijst icon-perceeloppervlak icon-plattegrond icon-woonoppervlak icon-checkmark icon-buitenruimte icon-cart icon-remove icon-quote icon-calendar icon-guests
Waar ben je naar op zoek?

Vml. wijnkopersgildehuis

Amsterdam Koestraat 10 12
Amsterdam Koestraat 10 12

Het pand Koestraat 10 werd in 1917 gekocht door de wijnkoper Jacobus Th. Boelen. Een jaar later kocht hij ook nummer 12. Na een restauratie werden beide panden verhuurd. De gunstige uitkomst van deze opzet was, een jaar later, aanleiding tot de oprichting van Vereniging Hendrick de Keyser waarvan Boelen de eerste voorzitter werd. 

Het pand werd gebouwd op een gedeelte van het voormalige terrein van het Bethaniënklooster dat door het stadsbestuur eind 16de eeuw werd gekocht. De naam Koestraat herinnert aan het aanzien dat het Bethaniënklooster genoot in de stad wat betreft haar vetgemeste koeien die onder andere geleverd werden voor de maaltijden van de schutters. Rond 1600 stonden er ter hoogte van de nummers 10-12 drie woonhuizen. In 1611 voegde de speculant Claes Jansz Geus de drie panden samen tot één huis achter een nieuwe voorgevel met drie toppen. 

In 1630 werd het pand gekocht door het gilde van de wijnkopers dat het huis na een grondige verbouwing in tweeën deelde. Op nummer 10 kwam het gildehuis met aan de achterzijde een gildezaal en aan de voorzijde een vergaderruimte. Op nummer 12 kwam een zelfstandig woonhuis. Verder werden er grote kelders aangebracht. Aan de Koestraat werd een natuurstenen poort van de hand van Pieter de Keyser (zoon van Hendrick de Keyser) geplaatst. In het fronton bevindt zich een afbeelding van Sint Urbanus, patroon van de wijngaardiers. 

Voor meer informatie zie Huizen in Nederland, deel II Amsterdam, pp. 190-195.