Bouwkundige termen, op alfabetische volgorde

Glossarium

Voor een gedetailleerd en geïllustreerd overzicht van bouwkundige termen zie: E.J. Haslinhuis en H. Janse, Bouwkundige termen, verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie, Leiden 2001.

A - G

  • Architraaf: onderste lijst van klassiek 'hoofdgestel'. Ook lijst rond een deur.

  • Attiek: verhoging van een gevel boven de kroonlijst waardoor het dak grotendeels uit het zicht blijft.

  • Balklaag: rij balken die een vloer dragen.

  • Bedstede: getimmerde slaapplaats, afgescheiden van een vertrek.

  • Boezem: rookvangend deel van schoorsteen of schouw, vaak bekleed met een 'schoorsteenmantel'.

  • Bordes: platform bovenaan een trap of tussen de treden.

  • Borstwering: opstaand deel van een muur boven de vloer.

  • Bovenlicht: venster boven een deur waardoor licht de gang in valt. Soms voorzien van een snijraam.

  • Enkelvoudige balklaag: dragende balkconstructie die uit dicht bij elkaar liggende balken bestaat waarop rechtstreeks de vloerdelen rusten.

  • Festoen: in steen gehouwen decoratieve slinger van bladeren, bloemen en vruchten.

  • Fries: brede lijst, onderdeel van het hoofdgestel tussen 'architraaf' en 'kroonlijst.

  • Fronton: driehoekige of gebogen bekroning van een gevel of venster.

  • Gebint: samenstel van stijlen, balk en korbelen dat dakconstructie ondersteunt.

  • Gek (of kwibus): met de wind meedraaiende kap op een schoorsteen. Van hout of metaal.

  • Gording: horizontale draagbalk tegen de schuinte van de kap.

H - K

  • Halfzuil: halve zuil tegen een gevel.

  • Insteekverdieping: vertrek in het voorhuis, tussen begane grond en eerste verdieping.

  • Kalf: vaste horizontale balk tussen deur en bovenlicht of tussen onderste en bovenste raam in een venster.

  • Kapiteel: bovenste onderdeel van een klassieke zuil of pilaster.

  • Keulse goot: goot die het regenwater binnendoor over de zolder naar een buitengoot voert.

  • Keur: stedelijke bouwverordening.

  • Kinderbinten: dunne balkjes die op een 'moerbalk' liggen en vloerdelen ondersteunen.

  • Klauwstuk: gebeeldhouwd element aan weerszijden van een geveltop.

  • Klezoor: kwart deel van een baksteen, toegepast in 17de en vroeg 18de-eeuws metselwerk.

  • Kolossale orde: klassieke 'zuilen' of 'pilasters' die doorlopen over meer dan één verdieping.

  • Kop: breedte van baksteen.

  • Korbeel: onderdeel van een houtconstructie, tussen staande stijl en liggende balk.

  • Kozijn: houten omlijsting van een venster, waarin de ramen zijn bevestigd.

  • Kroonlijst: bovenste vooruitspringende lijst van een klassiek 'hoofdgestel'. Soms voorzien van blokjes of tanden.

  • Kruiskozijn: kozijn dat met vast kalf en middenstijl in vier delen is verdeeld.

M - R

  • Moerbalk: zware balk die 'kinderbinten' draagt.

  • Neut: houten of stenen blokje, waarop een kozijn of muurstijl rust.

  • Nok: snijlijn van twee vlakken op een dak.

  • Nokvorst: dakpan op de nok van een dak.

  • Pen en gat: houtverbinding waarbij een houten nagel (de pen) in een gat wordt geslagen.

  • Pilaster: vlakke, gestileerde zuil tegen een gevel. Voorzien van basement en 'kapiteel'.

  • Pinakel: decoratief gotisch element in de vorm van een torentje.

  • Pothuis: uitbouw op de stoep van een huis op souterrain niveau. Vaak bestemd voor een keuken of werkplaatsje.

  • Pui: onderste deel van een gevel.

  • Puibalk: dragende balk boven de pui.

  • Regel: horizontaal balkje tussen twee stijlen.

  • Risaliet: vooruitspringend deel van de gevel (in het midden of op de hoeken).

  • Rollaag: gemetselde stenen op hun kant, meestal onderdeel van een geveltop.

S - Z

  • Schoorsteenmantel: betimmering van de 'boezem' van een schoorsteen.

  • Schouw: stookplaats, waarboven een schoorsteen is aangebracht.

  • Schuifvenster: venstertype met een omhoog schuivend raam in een kozijn. Vanaf de late 17de eeuw toegepast.

  • Secreet (of gemak): eenvoudig toilet zonder waterspoeling.

  • Sleutelstuk: horizontaal stuk hout dat verbonden met een muurstijl en korbeel een balk ondersteunt.

  • Snijraam: decoratief raam in een venster boven een deur.

  • Spant: samenstel van stijlen, balken en schoren dat de onderdeel van een kap draagt.

  • Speklaag: natuurstenen band in het metselwerk.

  • Sporen: dunne balken die de daklatten en het dakbeschot draagt.

  • Spreidsel: zeer dun eikenhout dat over de 'kinderbalken' ligt.

  • Stijl: verticale balk, onderdeel van een houtconstructie.

  • Strek: lengte van baksteen

  • Stucwerk: decoratief pleisterwerk.

  • Timpaan: verdiept liggend veld, vaak gevuld met beeldhouwwerk, in een fronton.

  • Vlucht ('op vlucht bouwen'): vooroverhellen van een gevel.

  • Voluut: krulvormig ornament.

  • Waterlijst: horizontale gemetselde lijst, waardoor water buiten de het gevelvlak laat druipen.

  • Zakgoot: goot tussen twee dakvlakken of tussen een dakvlak en een muur.

  • Zuilenorde: een van de klassieke zuilenvormen: Toscaans, Dorisch, Ionisch, Korinthisch of Composiet. Elke zuilenorde heeft een eigen basement-, zuil en kapiteelvorm, verhoudingen en lijstwerk.