Bouwstijlen

Het bezit van Vereniging Hendrick de Keyser is zeer gevarieerd.
Vrijwel alle historische bouw- en interieurstijlen zijn vertegenwoordigd.

Middeleeuwse woonhuizen (ca 1000-1550)

De romaanse bouwkunst (in ons land houden wij aan de periode 1000-1250) kennen we vrijwel alleen nog uit de kerkelijke architectuur. Romaanse gebouwen als kerken en kloosters maken een gesloten indruk, opgetrokken uit dikke natuurstenen en (vanaf de 12de eeuw) bakstenen muren met daarin kleine vensters en deuren onder ronde bogen. Versieringen zijn sober en aan het exterieur beperkt tot geschakelde rondbogen, sierlijsten en zuilen.

Woonhuizen uit deze tijd zijn in Nederland nauwelijks bewaard. Sporadisch worden vondsten gedaan die aantonen dat adellijke burgers stenen huizen en woontorens lieten bouwen. De Vereniging bezit een huis in Appingedam waarin resten van een woontoren uit de 13de of 14de eeuw zijn bewaard. Gewone burgers woonden in huizen van hout, leem en stro, gebouwd rond een 'binnenhaard'. Vanaf de 14de eeuw kwam er in ons land een langzaam, zeer gevarieerd en streekgebonden proces van 'verstening' van het woonhuis op gang. Tot ver in de 16de eeuw bleef het bouwen van grotendeels houten huizen echter veelvoorkomend.

In de late middeleeuwen werden er in de bouwkunst in de Nederlanden gotische stijlelementen opgenomen. De gotiek (in ons land circa 1250-1560) ontstond in de kathedraalbouw in Frankrijk maar beïnvloedde ook de woonhuisbouw. Gotische kerkgebouwen worden gekenmerkt door hun grote hoogte en ijle constructies (in ons land meestal een combinatie van natuursteen, baksteen en hout). Licht speelt een belangrijke rol.

Stijlkenmerken en gebruikte materialen kunnen van streek tot streek sterk verschillen maar typerend zijn spitse vensters en deuromlijstingen, verfijnde geprofileerde decoratieve traceringen, accoladebogen, pinakels en geometrische figuren als driepassen en cirkels. Ook in woonhuizen werden deze elementen toegepast.
Bijzondere voorbeelden van gotische stenen huizen in het bezit van de Vereniging zijn 'Het Zeepaert' in Dordrecht, Brink 47 in Deventer, het Karel-V huis in Goes, en de huizen Kwartelenmarkt 1 en Grote Kerkstraat 19-21 in Venlo.
Houten gotische woonhuizen zijn nauwelijks bewaard. Wel gaan achter gevels van later datum soms gotische houtskeletten schuil. De Vereniging bezit vele en gevarieerde voorbeelden.

Kennisbank 510x702 Dordrecht Wijnstraat 113 Arjan Bronkhorst HDK 18

Dordrecht, Het Zeepaert (foto Arjan Bronkhorst)

Kennisbank 510x702 Dordrecht Kap Wijnstraat Arjan Bronkhorst HDK 18

Dordrecht, kap van Het Zeepaert (foto Reindert Groot)

Renaissance (circa 1530-1650)

In Italië ontstond in de 15de eeuw interesse voor de bouwkunst van de oudheid. De restanten van de Romeinse tijd en de geschriften van Vitruvius werden ‘herontdekt', bestudeerd, in ‘tractaten' beschreven en nagevolgd. De opvattingen vonden geleidelijk hun weg naar het Noorden, langs een netwerk van vestingbouwers, kunstenaars, decorateurs en bouwmeesters verbonden aan adellijke hoven. Belangrijk waren ook de geschriften en prenten van Sebastiano Serlio, Cornelis Florisz en Hans Vredeman de Vries.

In de bouwkunst van ons land drongen renaissance versieringen pas algemeen door in het midden van de 16de eeuw. De vroegste voorbeelden worden gekenmerkt door een vermenging van gotische vormen met het decoratieve gebruik van klassieke elementen, met name zuilen en frontons en ornamenten als rolwerk en cartouches.

Vereniging Hendrick de Keyser bezit met het St. Jans Gasthuis in Hoorn één van de best bewaarde vroege renaissance gevels van ons land. Ook Mient 31 in Alkmaar en het Karel-V huis in Zwolle behoren tot de vroege uitingen van de Hollandse renaissance. Vermengd met de traditionele huisbouw en de gotische steenhouwerstraditie ontstond een geheel eigen stijl. Geliefd werd het versieren van fijn gemetselde bakstenen trap- en topgevels met natuurstenen blokken en banden, maskers, schelpen, waterlijsten en sierankers.

Er zijn diverse streekgebonden gevelvarianten te onderscheiden, zoals het Haarlemse, Amsterdamse en Dordtse geveltype en de geheel eigen Maaslandse renaissance in Limburg.
De Vereniging bezit vele renaissance woonhuizen en openbare gebouwen, van eenvoudig tot rijk gedecoreerd. Enkele voorbeelden zijn ‘De Kaerskorf' in Delft, ‘De Gouden en Silveren Spiegel' in Amsterdam, Sint Jacobsstraat 13 in Leeuwarden, Ossenmarkt 5 in Groningen en het raadhuis van het Zuiderzeestadje Vollenhove.

In Amsterdam drukte bouwmeester Hendrick de Keyser en zijn atelier een sterk stempel op de architectuur. De Keyser streefde naar een ‘architectura moderna' waarin op een geheel eigen en inventieve wijze gebruik werd gemaakt van de klassieke vormentaal. Het magistrale Huis Bartolotti en de Waag van Hoorn zijn voorbeelden van deze bouwwijze. Naast stenen trapgevels bleef de houtbouw nog lang bestaan in ons land. Het ‘Aepgen' in Amsterdam, in het bezit van de Vereniging, is een zeldzaam 16de-eeuws voorbeeld.

Groningen Ossenmarkt5 971x1200

Groningen - Ossenmarkt 5

Hoorn Kerkplein 39 2 971x1200

Hoorn - Kerkplein 39

Classicisme (circa 1630-1700)

Een hernieuwde, grondige bestudering van de klassieke en Italiaanse architectuurtheorieën ligt ten grondslag aan het Hollands classicisme (ca 1630-1700).

Vanaf omstreeks 1630 ontstond er onder de culturele elite in de machtige Hollandse Republiek grote interesse voor de theorieën van de klassieke bouwkunst. Ook hechtte men groot belang aan meetkunde als fundament van de architectuur. De vertaalde tractaten van de Italiaanse bouwmeesters Palladio, Vignola en Scamozzi kregen veel navolging.

In het ‘architectuursysteem' van het classicisme streefde men naar meetkundige verhoudingen en een correcte toepassing van de klassieke zuilenorden. Kenmerkend zijn het bouwen in een combinatie van baksteen en natuursteen, de uitgewogen verhoudingen en de toepassing van pilasters (Toscaans, Dorisch, Ionisch, Korintisch en Composiet), lijsten, tempelfrontons en ornamenten als festoenen en kapitelen.

Kennisbank 510x702 Hoorn Munstraat 6 Arjan Bronkhorst HDK 24

Hoorn - Muntstraat 6 (foto Arjan Bronkhorst)

Kennisbank 510x702 Leiden Rapenburg 25 007620

Leiden - Bibliotheca Thysiana (foto Roos Aldershoff)

Belangrijke bouwmeesters waren Jacob van Campen, Pieter Post, Philips Vingboons en Arent van 's-Gravesande. De Bibliotheca Thysiana in Leiden van Arent van 's-Gravesande, het huis ‘De Onbeschaamde' in Dordrecht van Pieter Post en het huis 's-Hertogenbosch in Middelburg zijn voorbeelden uit het bezit van de Vereniging.
Ook in het burgerhuis, doorontwikkeld vanuit de bestaande bouwtraditie, was een streven naar symmetrie en monumentaliteit voelbaar. In Amsterdam speelde Philips Vingboons een belangrijke rol in het ontwikkelen van classicistische modellen voor de smalle, hoge gevels van de huizen van de rijke burgers in de stad. De halsgevels van Keizersgracht 387 in Amsterdam en Tweede Korenstraatje 18 in Den Bosch zijn voorbeelden van woonhuizen in classicistische stijl.

Aan het eind van de 17de eeuw kwam de nadruk nog meer te liggen op harmonische verhoudingen en monumentaliteit. Adriaan Dortsman, Steven Vennecool en Jacob Roman waren meesters in deze ‘strakke stijl' die gekenmerkt wordt door symmetrisch opgebouwde gevels, geleed door vensters en een geaccentueerde ingangspartij. Buitenplaats De Nijenburg in Heiloo, in het bezit van de Vereniging, is in zijn oorspronkelijke opzet een goed voorbeeld van dit late classicisme.

Lodewijkstijlen (circa 1700-1800)

In de 18de eeuw ondervond de bouwkunst in ons land een sterke Franse invloed. De 18de-eeuwse stijlen zijn achteraf dan ook aangeduid met de namen van de Franse koningen Lodewijk XIV, Lodewijk XV en Lodewijk XVI, alhoewel de stijlperioden niet geheel parallel lopen met hun regeerperioden.

De Lodewijkstijlen, waarvan de ontwikkeling goed gevolgd kan worden in het huizenbezit van de Vereniging, zijn ornamentele, decoratieve stijlen die vooral in de toegepaste kunsten en het interieur tot bloei kwamen. Bij de verspreiding speelden ornamentprenten een belangrijke rol.
Ook kwamen er Franse en Italiaanse vaklieden naar ons land. De ornamenten werden al gauw met verve in de Hollandse bouwkunst toegepast. In het exterieur werden de ornamenten, zowel in steen als hout, gebruikt op gevelbekroningen, consoles, kroonlijsten, deuren, stoepen en hekken. Maar het was vooral het interieur dat zich bij uitstek leende voor het decoratieve ornament dat werd toegepast op stucplafonds, schouwen, deuren, lambriseringen, buffetkasten, trapbalusters, spiegellijsten en consoletafels.

De Lodewijk XIV-stijl (in ons land ongeveer 1700-1740) is zwaar, overladen en sterk op symmetrie en ruimtelijk effect gericht. Kenmerkend zijn symmetrische krullen, palmetten, voluten, vazen, kariatiden, putti en loofwerk. De Vereniging bezit met Huis Van Brienen een voornaam voorbeeld.

De Lodewijk XV-stijl of rococo (in ons land ongeveer 1740-1770) wordt juist gekenmerkt door een nadrukkelijke asymmetrie.
Men sprak in de tijd zelf van ‘modern', ‘nieuwmodisch' en van ‘ornamenten na den nieuwsten zwier'. Grillige, fantasierijke en organische vormen, met name het gebruik van ‘rocailles', schelpen, rotsen, waterplanten en bloemen zijn kenmerkend. Bovenbeekstraat 21 in Arnhem is een prachtig voorbeeld van deze elegante stijl.

De Lodewijk XVI-stijl (in ons land ongeveer 1770-1800) vormde een reactie op de frivole en ‘decadente' rococo en een terugkeer naar klassieke vormen, geïnspireerd door hernieuwde interesse in de oudheid en bewondering voor het Hollands classicisme. Kenmerkend voor deze neoclassicistische stijl zijn strakke lijnen, klassieke pilasters, lijsten en frontons, vazen, kransen en strikken. De gevel van Spui 6 in Edam en de interieurbetimmeringen in het Redershuis in Vlaardingen zijn voorbeelden.

Van Brienen gang 0158 kopie

Amsterdam - Huis Van Brienen (foto Pauline Dorthout)

Beeldbank 280x419 Arnhem Bovenbeekstraat 21 7

Arnhem - Bovenbeekstraat 21 - Servieskast

Vlaardingen interieur 2

Vlaardingen - Westhavenkade 45

Neoclassicisme (circa 1770-1850)

De terugkeer naar klassieke vormen werd ingezet met de Lodewijk XVI-stijl (ca 1770-1800). Dit gebeurde in ons land vrij laat en in navolging van ontwikkelingen elders in Europa.
Behalve in een reductie en verstrakking van ornamenten kwam dit tot uitdrukking in een herleving van de klassieke orden zoals pilasters en frontons en uiteindelijk zelfs in de introductie in Holland van de vrijstaande zuilenportico, vooral bij openbare gebouwen en buitenplaatsen.

De uitzonderlijk rijke empire-stijl (ongeveer 1800-1815) werd in ons land geïntroduceerd in de Franse tijd door het hof van Lodewijk Napoleon. Kenmerkend voor het imponerende, representatieve karakter van de deze stijl zijn de lauwerkransen, rozetten, arabesken, draperieën, speren en pijlen en Pompejaanse, Etruskische en Egyptische motieven zoals sfinxen, palmetten en papyrusrollen. Vereniging Hendrick de Keyser bezit met Huis Barnaart in Haarlem één van de hoogtepunten van de empire in ons land. Door de economische malaise is er niet veel gebouwd in deze stijl.

Er werd nog lang gebouwd in de 19de eeuw in een spaarzaam, gereduceerd classicisme, waarin de oude bouwtradities werden voortgezet. De term waterstaatsstijl (ongeveer 1815-1850) is een benaming voor de sobere neoclassicistische stijl waarin vooral kerken, onder toezicht van ingenieurs van Rijkswaterstaat, in de eerste helft van de 19de eeuw werden gebouwd. Bij de bouw van stadhuizen, gerechtsgebouwen en landhuizen was het Griekse tempelfront met een open zuilenportico populair. Deze interesse in de Griekse klassieke architectuur wordt aangeduid met de term neo-Grec (ongeveer 1815-1850).

Kennisbank 312x207 amsterdam huis van brienen foto otto kalkhoven 1

Amsterdam - kamer in Lodewijk XVI-stijl in Huis Van Brienen (foto Otto Kalkhoven)

delft oude delft 49 foto arjan bronkhorst 14

Delft - Oude Delft 49 (foto Arjan Bronkhorst)

Kennisbank 312x207 Haarlem Huis Barnaart 16

Haarlem - Huis Barnaart (foto Margareta Svensson)

De burgerlijke wooncultuur in de eerste helft van de 19de eeuw wordt gekenmerkt door het biedermeier (ca 1815-1850), een nuchtere, rustige variant van het neoclassicisme. De term wordt vooral gebruikt in de interieurkunst.
De interieurs hebben een zekere lichtheid en zijn minder opzichtig en formeel. Als er al gebouwd werd dan deed men dit in een rustige neoclassicistische stijl. De gevel van Keizersgracht 743 in Amsterdam en van het Ambachtsherenhuis in Alblasserdam zijn voorbeelden.

Gepleisterde, bijna ornamentloze, gevels waren populair. Het Raadhuis van Vlieland en de gevel van Dijkstaat 30 in Appingedam zijn voorbeelden.

Eclecticisme en neo-stijlen (circa 1850 - 1915)

Na 1850 kreeg de bouwkunst een minder star karakter. Naast de klassieke vormentaal greep men terug op elementen uit eerdere stijlperioden. Het ging daarbij om de associatie, het ‘karakter', dat een gebouw moest oproepen. Al naar gelang het gebouwtype werd een stijl gekozen. Hiermee brak de tijd aan van de ‘neo-stijlen'.

Eigentijdse constructieprincipes en materialen zoals machinaal vervaardigde bakstenen verraden vaak dat het niet gaat om de oorspronkelijke stijl. De Willem II- of 'stucadoorsgotiek' (ongeveer 1830-1860) is een vroeg voorbeeld. Deze stijl wordt gekenmerkt door een romantische interpretatie van de gotiek in gips en pleisterwerk. De stijl werd weinig in de woningbouw toegepast. De Vereniging bezit met stoomgemaal De Cruquius een prachtig voorbeeld.

Bij het eclecticisme (ongeveer 1850-1880) werden historische stijlen gecombineerd tot een nieuw geheel. In de woningbouw en interieurkunst werd veel gebruik gemaakt van fabrieksmatig vervaardigde ornamenten. Het is de tijd van weelderig gedecoreerde huizen. Vooral de neo-Lodewijkstijlen waren favoriet. Keizergsracht 387 in Amsterdam heeft een prachtig neo-Rococo interieur uit het midden van de 19de eeuw.

Na 1860 kende ons land een economische opbloei waardoor er veel werd gebouwd, vooral in een mengvorm van neogotiek en neorenaissance. De neogotiek (circa 1860-1890) is sterk verbonden met de naam van Pierre Cuypers. Hij bouwde vele kerken en openbare gebouwen, waarbij gotische vormen in een rationeel bouwsysteem werden ingepast.

De neorenaissance (ongeveer 1875-1915) moest associaties oproepen met de Gouden Eeuw. De stijl wordt gekenmerkt door bakstenen trapgevels, rijk versierd met natuurstenen speklagen, blokken en ornamenten. Bij deze architectuur hoorden interieurs in ‘oud Hollandse stijl'. Naast woonhuizen zijn er veel openbare gebouwen opgetrokken in neorenaissance-stijl. In de huizen en villabouw aan het eind van de eeuw was een schilderachtige combinatie van renaissance motieven en houten chaletkappen, pittoreske hoektorentjes, erkers en serres populair. Het huis Statenlaan 4 in Den Haag is een voorbeeld uit het bezit van de Vereniging.

de cruquius foto arjan bronkhorst 5

Haarlemmermeer - De Cruquius (foto Arjan Bronkhorst)

de cruquius foto arjan bronkhorst 12

Haarlemmermeer - De Cruquius (foto Arjan Bronkhorst)

Kennisbank 312x207 Den Haag Statenlaan foto Wijnanda Deroo

Den Haag - Statenlaan 4 (foto Wijnanda Deroo)

Art nouveau en rationalisme (circa 1890-1920)

Na de neo-stijlen is de art nouveau (ongeveer 1890-1905) de eerste stijl die niet teruggrijpt op historische vormen.

De meeste gebouwen in deze stijl, die in Nederland ‘nieuwe kunst' genoemd werd, kwamen tot stand in de korte periode 1895 tot 1905. De stijl is herkenbaar door de uitbundige, vloeiende lijnen, grote bogen, gestileerde motieven en het gebruik van geglazuurde baksteen, tegeltableaus en glas-in-lood. IJzer, siersmeedwerk en glas spelen een belangrijke rol.

De Nederlandse variant is soberder van karakter dan de elegante Belgische en Franse art nouveau en de Duitse jugendstil. Omstreeks 1900 verstrakt de stijl zich verder, mede onder invloed van Berlage. De art nouveau is in ons land vooral te vinden in winkels en nieuwe gebouwtypen als warenhuizen, hotels en kantoren. Ons Museumhuis Rams Woerthe in Steenwijk, gebouwd door de gebroeders Van Gendt, is een mooi voorbeeld.

Nauw verbonden met het rationalisme (ongeveer 1895-1920) is H.P. Berlage. Berlage streefde naar vernieuwing op grond van een rationele, de constructie niet verhullende, vormentaal. 
Kenmerkend zijn de werking van de massa, de asymmetrie en het bakstenen muurvlak. Een functionele indeling van het gebouw stond centraal.

De Vereniging bezit twee uitzonderlijke gebouwen van Berlage: het gebouw van de Algemeene Nederlandsche Diamanbewerkersbond ('De Burcht') in Amsterdam en het Raadhuis van Usquert. 

Ook in het interieur werd baksteen niet verhuld achter stucwerk. Decoratie was ondergeschikt aan constructie. Natuurstenen elementen accentueren constructief belangrijke onderdelen. Naast Berlage waren architecten als K.P.C. de Bazel, W. Kromhout en J.L.M. Lauweriks wegbereiders van een nieuwe architectuur. De ideeën van het rationalisme hadden grote invloed op het expressionisme, het Nieuwe Bouwen en het traditionalisme. 

Museumhuis Rams Woerthe foto Arjan Bronkhorst 9

Museumhuis Rams Woerthe in Steenwijk met hoefijzervormige deur. (foto Arjan Bronkhorst)

Usquert Raadhuis foto Roos Aldershoff2

Raadhuis van Usquert, ontwerp van Berlage. (foto Roos Aldershoff)

Expressionisme, Amsterdamse School en art deco

De Amsterdamse School (ongeveer 1910-1925), de meest bekende uiting van het expressionisme in ons land, bouwde voort en was tegelijk een ‘anti beweging' op het rationalisme van Berlage. Men streefde naar vernieuwing, dynamiek en individuele virtuositeit. Architecten als Michel de Klerk, Piet Kramer en J.M. van der Mey bouwden vooral voor woningbouwverenigingen, scholen en welgestelde particulieren.
In plaats van rationaliteit kwam onconventionele romantiek en speelsheid. Kenmerkend zijn plastische bouwvolumes, decoratieve baksteenverbanden, ornamenteel beeldhouwwerk, accenten bij deuren, vensters, portieken en hoeken en vooral de horizontale geleding met lange vensterstroken. Daken werden expressief vormgegeven, gedekt met dakpannen of riet.

In de loop van de jaren twintig is er sprake van een verstrakking, onder invloed van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright en de art deco. Kenmerkend zijn lage en brede gevels met nadruk op blokvormen, grote dakoverstekken en luifels. De gebouwen van W.M. Dudok zijn hiervan een voorbeeld.

De art deco (ongeveer 1920-1935) is een algemene benaming voor de internationale eclectische decoratieve stroming die in de jaren twintig in de toegepaste kunsten, met name in de luxe industrie, tot ontwikkeling kwam. De naam is ontleend aan grote expositie van decoratieve kunsten in Parijs in 1925. Kenmerkend zijn de geometrische vormen, kostbare materialen, polychrome ornamenten, kleurig geglazuurde tegeltableaus, spiegels, glas en elektrisch licht.

In ons land kwam de art deco tot een hoogtepunt in de Haagse wooncultuur. De Vereniging bezit in Den Haag een winkel van de firma De Gruyter, een uniek voorbeeld van de Haagse art deco stijl.

IMG 7298

Woonhuis ontworpen door Michiel de Klerk te Uithoorn, in afwachting van een hoognodige restauratie. 

Den Haag Beeklaan 303

Winkel van de firma De Gruyter met karakteristieke winkelpui in Art deco-trant.

Het Nieuwe Bouwen, traditionalisme, Delftse School

Het 'Nieuwe Bouwen' is de Nederlandse exponent van de internationale moderne beweging in de architectuur. De architecten van het Nieuwe Bouwen richtten zich op de wereld van de moderne techniek en nieuwe bouwmaterialen die efficiënte, functionele en hygiënische scholen, woningen en fabrieken mogelijk moesten maken.

Een moderne maatschappij met moderne vormen was het doel. Volkshuisvesting en stedenbouw waren dan ook belangrijke opgaven voor de aanhangers van het Nieuwe Bouwen. Toch was het vooral in de particuliere woningbouw dat de eerste avant-gardistische experimenten in de jaren twintig tot stand kwamen, door architecten als Rietveld, Oud, Duiker en Van Eesteren. Internationaal waren Le Corbusier, Gropius, Mies van der Rohe en Alvar Aalto de grote voorbeelden.

Arjan Bronkhorst HDK 21.0009 a

Blaricum - Huis Hildebrand (foto Arjan Bronkhorst)

DSC2088 kopie3

Scheveningen - Derde Ambachtsschool (foto Margreet Nijman)

Alhoewel deze architecten hun beweging niet als stijl wilden zien, ontstond er toch een stilistisch herkenbare architectuur, gekenmerkt door witgepleisterde vlakken, platte daken, staal en glas. Beton en staal boden de mogelijkheid ijle constructies met vrij indeelbare plattegronden te ontwerpen. Monumentaliteit werd verworpen, licht, lucht en ruimte was het credo.

De Vereniging bezit enkele zeer bijzondere voorbeelden van het Nieuwe Bouwen, waaronder de experimentele modelwoning Erasmuslaan 9 in Utrecht en het huis Hildebrand in Blaricum, beide van Gerrit Rietveld, en de Derde Ambachtsschool in Scheveningen van Jan Duiker.

In de jaren dertig werd binnen de moderne beweging gediscussieerd over een vrijere, minder dogmatisch functionele, vormgeving.
Sybold van Ravesteyn, wiens woonhuis aan de Prins Hendriklaan in Utrecht in het bezit is van de Vereniging, experimenteerde met gebogen lijnen en kwam tot een expressief functionalisme. Huis Van Ravesteyn is binnenkort te bezoeken als Museumhuis.

Naast deze avant-gardistische experimenten is de Nederlandse architectuur in de twintigste eeuw bepaald door architecten die trouw bleven aan meer traditionele vormen en deze combineerden met moderne bouwtechnieken.
In deze minder spectaculaire architectuur werd aangesloten bij de traditie van gesloten bakstenen gevels en met pannen gedekte zadeldaken. Een goed voorbeeld is het werk van de architect Alexander Kropholler, die verschillende kerken en raadhuizen ontwierp met kenmerkende bakstenen muren in de sfeer van Berlage en hoge met pannen bedekte zadeldaken. 
Het traditionalisme is verbonden met architecten van de Delftse School. De Delftse School had een groot aandeel in de na-oorlogse wederopbouw.

De Bossche School en het structuralisme

Een liefde voor soberheid, maatvoering en schaarse ornamentiek is te zien in de architectuur van de Bossche School. Deze architectuurstijl is gebaseerd op de theorieën van architect-pater Dom Hans van der Laan. Het zogenaamde 'plastische getal', een verhoudingenreeks, is de basis van alle proporties. Zijn leerling Jan de Jong ontwierp gelijkgestemde architectuur. Kloosterachtig, stemmig en sober, gebruik makend van kaal beton, dat kenmerkt deze bouwstijl.

De behoefte om te ordenen, te bouwen met bepaalde standaard maten en vormen is karakteristiek voor de jaren 60-80. Het experiment werd daarbij niet geschuwd, ook niet in de woningbouw. Nieuwe materialen en constructies zorgden voor unieke ontwerpen zoals de shelter, een prototype voor een woonhuis, van binnenhuisarchitect Kor Aldershoff. 

 

IMG 2638

Huis Jan De Jong (1956-1982) in Schaijk 

Foto Roos Aldershoff kopie3

De shelter onderweg met Kor Aldershoff (foto Roos Aldershoff).
Eerste ontwerp 1969-1972, bouwjaar 1984. 

Postmodernisme en grote diversiteit

Een grote mate van variatie kenmerkt het laatste kwart van de twintigste eeuw. Ontwerpers maken individuele keuzes en gaan voor soberheid en minimale middelen, of men kiest juist voor het grote gebaar en een luxe uitstraling. Het gebruik maken van verschillende materialen en experimenteren blijven actueel, naast het hergebruik van stijlmiddelen uit het verleden. Een stroming die daarvan op grote schaal gebruik maakt is het Postmodernisme, een stijl die niet wijd verspreid is in Nederland maar toch aanwezig is in de collectie van de Vereniging.

Mart van Schijndel maakte veelvuldig gebruik van klassieke elementen in zijn architectuur. Bijvoorbeeld in Huis Unger te Bussum, waar hij boogvormen, bijzondere trappen en opvallende kleuraccenten toevoegde aan het bestaande huis.

Huis Unger foto Arjan Bronkhorst 8

Boogvormige opening in de gevel die doet denken aan Italiaanse voorbeelden uit de 16e eeuw. (foto Arjan Bronkhorst)

Huis Unger foto Arjan Bronkhorst 7

Wand met glazen bouwstenen en een ander geaccentueerd met turquoise. (foto Arjan Bronkhorst)