Ambachtslieden

Vakmanschap is kenmerkend voor de historische architectuur in het bezit van de Vereniging. Een overzicht van enkele ambachten die in het verleden bij de bouw betrokken waren.

Timmerlieden

Edam Achterhaven 105

Huizen werden in de Nederlanden tot ver in de renaissance in hout opgetrokken en afgewerkt. Ook toen baksteen al lange tijd toegepast werd, hadden de huizen houtskeletten met houten puien, stijlen, moer- en kinderbalken, houten vloeren, kozijnen en kapconstructies. Hout was dan ook lange tijd het belangrijkste bouwmateriaal en het woord timmeren omvatte in de middeleeuwen alle bouwactiviteiten. 

Eiken-, grenen- en vurenhout werd door houtkopers ingevoerd uit Duitsland, de Ardennen, Scandinavië en de landen aan de Oostzee. De aanvoer naar marktplaatsen als Dordrecht, Deventer, Amsterdam en later naar de houtmolens in de Zaanstreek, geschiedde over het water per vlot of schip. In deze plaatsen werd het hout door houtzagers of balksnijders bewerkt van boomstam tot timmerhout en doorgeleverd aan huistimmerlieden, scheepstimmerlieden, schrijnwerkers en meubelmakers. Deze ambachtslieden hadden vastgelegde specialisaties en waren georganiseerd in de gilden. 

Timmerlieden maakten bij hun werk gebruik van een groot aantal instrumenten, als zagen, bijlen, hamers, beitels, dissels, schaven, boren, winkelhaken, passers en schietlood. De huistimmerlieden maakten onderdelen van omvangrijke gebouwconstructies, zoals balkconstructies en kappen, soms op grote afstand van hun bouwopdracht gereed. Deze constructies werden uit elkaar genomen en als een bouwpakket ter plaatse gemonteerd.

De vele onderdelen moesten daarom worden gemerkt. In oude kappen van huizen in het bezit van de Vereniging worden dan ook vaak ‘telmerken' aangetroffen. Deze werden door de meester timmerlieden in het hout gekrast of gegutst om de onderdelen die bij elkaar hoorden te herkennen. 

16de eeuwse kap van Huis Rodenburch Wijnstraat 153 in Dordrecht 312x203

Het Zeepaert in Dordrecht (foto E.J. Nusselder)

Dordrecht Wijnstraat 113 Arjan Bronkhorst 312x203

Kap van Huis Rodenburch, Wijnstraat 153 in Dordrecht

Niet alleen constructies maar ook deuren, trappen, schouwen, kozijnen en luiken waren het werkterrein van de huistimmerlieden. De gildeproef voor een huistimmerman behelsde vaak het maken van een kozijn.
In de 17de en 18de eeuw domineerden timmermansbazen uit de grote steden, in concurrentie met grote metselaarsbazen, de Nederlandse huisbouw. Ze traden op als aannemers, overlegden met de opdrachtgevers, maakten bestekken en gaven leiding aan ware bouwbedrijven.

Metselaars en opperlieden

De meester metselaar hield zich met zijn ‘oppermans' en mortelmakers bezig met het metselen van baksteen en soms van natuurstenen onderdelen en ornamenten. De grote metselaarsbazen traden ook op als aannemers. De Romeinen bouwden al in baksteen, maar deze kennis ging in ons land verloren. Vanaf de 12de eeuw wordt baksteen inheems toegepast, het eerst bij kloosters, kerken, openbare gebouwen en kastelen en vanaf de late middeleeuwen en renaissance ook bij belangrijke woonhuizen. 

Bakstenen werden oorspronkelijk in veldovens in kleirijke gebieden langs de rivieren gebakken. In de 19de eeuw ontstonden de grote steenfabrieken, waar machinaal baksteen werd vervaardigd.
De maat en kleur van de bakstenen kan sterk variëren, van grote rode kloostermoppen tot kleine gele ijsselsteentjes. 

In de loop van de tijd werden bakstenen op verschillende wijzen door de metselaars gemetseld en gerangschikt, zowel om een hecht verband te garanderen als om de muur een mooi aanzien te geven.
Het metselverband, de gekozen hoekoplossingen, de lagenmaat (de dikte van stenen en voegen) en de afwerking van de voeg zijn goede aanwijzingen voor het dateren van een gebouw of muur. 

Metselwerk Huis Bartolotti

Verfijnd metselwerk aan de gevel van Huis Bartolotti

DSCN0618

Herstel van oud metselwerk aan de boerderij Esterenburg in Vierpolders

Het belangrijkste instrument van de metselaar is de troffel om mortel te mengen, te scheppen en uit te strijken. Het houten handvat van de troffel wordt gebruikt om de stenen aan te kloppen. Naast troffel zijn voegspijker of dagge, schietlood en waterpas onontbeerlijk voor de metselaar. Met de dagge, een ijzeren instrument, konden voegen gemaakt en afgewerkt worden.

De oppermans en de mortelmakers waren op de bouwplaats verantwoordelijk voor het maken van de metselspecie, op basis van kalk, water, zand en andere toeslagmaterialen, en het aandragen in manden van bakstenen en gereedschappen. 

Oud metsel- en voegwerk, met name uit de 17de en 18de eeuw, wordt gekenmerkt door groot vakmanschap. In de loop der tijd werd het voegwerk steeds strakker en scherper en in bestekken werd het zorgvuldig voegen vaak speciaal vermeld. In de 18de eeuw ontstond zelfs het aparte beroep van de voeger. De Vereniging bezit fraaie staaltjes van oud voegwerk.

Steenhouwers

Bij de bouw van grote bouwwerken als raadhuizen, markthallen, kerken en voorname huizen werd in het verleden in combinatie met baksteen vrijwel steeds natuursteen toegepast. Natuursteen werd verwerkt in muren, vensters en gevelversieringen en in het interieur bij fraaie schouwen en vloeren. Het stellen van eenvoudig natuursteenwerk kon worden gedaan door metselaars. Het leveren en bewerken van belangrijk natuursteenwerk was echter het vakgebied van de steenhouwers en hun gezellen.

De meester steenhouwers namen met hun vakmanschap en ontwerpende vaardigheden vaak een vooraanstaande plaats in op de bouwplaatsten. Doordat zij het ornamentele beeldhouwwerk ontwierpen speelden ze een belangrijke rol in het architectonische ontwerp. Ruw gehakte steenblokken werden fijn bewerkt met gereedschappen als beitels, hamers, boren en zagen in lokale bouwloodsen en werkplaatsen. Bij het stellen van de zware stenen werd gebruik gemaakt van steigers, hijsinstallaties, koevoeten en steenscharen.

De belangrijke steenhouwers hielden zich ook bezig met de handel in natuursteen. De zandsteen- en hardsteensoorten die werden toegepast moesten van ver worden aangevoerd: uit het Maasland, Brabant en het Rijnland. Dit gebeurde over water, op houtvlotten, langs stapelplaatsen als Antwerpen, Dordrecht, Utrecht, Zwolle en Amsterdam. Het eindvervoer naar de bouwplaats gebeurde met paard en wagen.

Ook uit Engeland en Scandinavië werd steen aangevoerd. Marmer kwam vanaf de 17de eeuw uit Italië. De steenhouwersbazen ondernamen reizen om steensoorten te keuren en bestellingen te plaatsen. Vaak werden tekeningen en mallen voor grotere werken doorgegeven aan de groeve.
Op maat gehakte stenen konden kant en klaar worden geleverd, als bouwpakketten en van merken voorzien. 

Gouda Naaierstraat 6 fries met de werkzaamheden van de steenhouwer ca 1530 312x234

Fries met werkzaamheden van de steenhouwer, gevel Naaierstraat in Gouda

Beeldhouwwerk door Hendrick de Keyser tegen de gevel van Oudezijds Voorburgwal 57 312x234

Beeldhouwwerk van Hendrick de Keyser, Oudezijds Voorburgwal 57 in Amsterdam

Zwolle Karel V huis 312x234

Zwolle - Sassenstraat 33 (Karel-V huis)

De Vereniging is vernoemd naar de bekendste steenhouwer van ons land: Hendrick de Keyser. De Keyser had een grote werkplaats aan de Amstel in Amsterdam waar hij met zijn gezellen voor de grote bouwwerken van de stad en voor zijn particuliere opdrachtgevers natuursteen bewerkte en kunstig beeldhouwwerk vervaardigde.

Grondwerkers, heimeesters en heiers

Funderingsherstel in het Ambachtsherenhuis in Alblasserdam

Funderingswerk was de basis van het bouwen in de lager gelegen gewesten, waar rekening gehouden moest worden met slappe bodems en hoge grondwaterstanden.
Dit kan door het vast aanstampen van aarde en puin, het leggen van fundamenten met klei, hout, slieten en metselwerk of door het slaan van houten paalfunderingen. Nederland kent een grote variatie aan funderingstechnieken.

Oude funderingen werden vaak gehandhaafd of hergebruikt als een huis opnieuw werd opgetrokken. Men bouwde er, met of zonder voorzorgsmaatregelen, overheen. De Vereniging heeft dan ook vele huizen die op oudere funderingen rusten dan de gevels doen vermoeden.

Bij funderingen ‘op staal' wordt direct gebouwd op de vaste ondergrond, zonder onderheide palen, op keien, planken vloeren, balken, boomstammetjes of gemetselde spaarbogen.
Funderingen ‘op kleef' steunen op relatief korte en dunne stammetjes, die dicht naast elkaar in de slappe grond werden geslagen. Hierop werden vervolgens houten roosters en werkvloeren gelegd.

Bij het funderen ‘op stuit', vanaf het eind van de 16de eeuw, worden lange houten palen de bodem in gedreven. Op de geheide palen legde men vervolgens funderingsplaten. 
Heimeesters waren verantwoordelijk voor het leggen van deze paalfunderingen met verplaatsbare heistellingen. Met de mankracht van grote ploegen heiers, soms wel 60 man groot, trok men heiblokken aan een katrol langs een driepoot van heimasten omhoog. Op commando van de baas liet men het touw los en werden houten palen de grond in geheid.

Beeldsnijders en schrijnwerkers

Naast huistimmerlieden was er een groot aantal gespecialiseerde houtbewerkers actief in de afwerking van huizen, interieurs en meubelen. Hun werkzaamheden waren vastgelegd in de gildereglementen. Elk ambacht had een eigen meesterproef en alleen meesters mochten knechten in dienst nemen.

Zo waren er kistenmakers, hout- of stoeldraaiers en beeldsnijders. Huistimmerlieden mochten zich niet op hun werkterrein begeven. Deze ambachtslieden werkten met gezellen en leerlingen in kleine werkplaatsen. Hier stonden werkbanken en een groot aantal instrumenten waaronder beitels, messen, fijne zagen, boren, schaven, vijlen, raspen, hamers en tangen, veelal dezelfde instrumenten maar kleiner en fijner dan die van de huistimmerlieden.

Amsterdam De Gecroonde Raep houtsnijwerk foto Reindert Groot

Amsterdam - houtsnijwerk in de Gecroonde Raep (foto Reindert Groot)

hoorn muntstraat 312x467

Hoorn - Muntstraat 6 (foto Arjan Bronkhorst)

delft oude delft 49 foto arjan bronkhorst 26

Delft - Oude Delft 49 (foto Arjan Bronkhorst)

Een meester kistenmaker was een ambachtsman die kisten, meubels, lambriseringen en ander schrijnmakerswerk voor het interieur vervaardigde. ‘Stoeldrayers' maakten met behulp van draaibanken houten voorwerpen als stoelpoten, stijlen en balusters.
De 16de en 17de-eeuwse ‘antycdrayers' werden zo genoemd naar de ‘antieke' vormentaal van de renaissance waarin ze werkten.

Amsterdam Huis Van BrienenBeeldsnijders specialiseerden zich in fijn ornamenteel snijwerk, vrij uit de hand. Ze waren goed op de hoogte van de laatste ornamenten. Met beeldsnijders worden soms ook beeldhouwers in zachte steen aangeduid.

Hendrick de Keyser, de naamgever van onze Vereniging, werd in Utrecht bij zijn vader opgeleid als beeldsnijder en schrijnwerker, voordat hij zich toelegde op het werk als beeld- en steenhouwer.


In de 18de eeuw werd nog steeds veel aandacht aan de interieurafwerking in hout besteed.
De gildereglementen werden minder streng en allerlei ambachtslieden hielden zich bezig met gesneden decoraties aan schoorsteenmantels, spiegels, trapbalusters, kamerbetimmeringen deuren en portalen. De Vereniging heeft veel huizen waar het werk van deze beeldsnijders en schrijnwerkers te bewonderen valt.

Pleisteraars en stucwerkers

In de middeleeuwen en renaissance kregen binnenmuren van belangrijke huizen meestal een pleisterlaag. Een ‘pleysteraer' of ‘kalcksneyder' was een ambachtsman die wanden, gewelven en plafonds bepleisterde met een laag die bestond uit leem of kalkmortel.
De natte kalkmortel werd vermengd met zand en andere toeslagmaterialen om water te binden, de verharding te versnellen en de lagen stevigheid te geven. Uit oude rekeningen en vondsten blijkt dat de pleisterlaag soms van een kleur of zelfs een beschildering werd voorzien.

Vanaf de late 16de eeuw komen sporadisch in Nederland stucdecoraties op plafonds voor. Bij de vroege voorbeelden omkleedde de pleisteraar de balken met leemstuc en voorzag deze van decoraties. 

Stucwerk beleefde echter zijn grote bloeiperiode in het Nederlandse interieur in de 18de eeuw. De Vereniging bezit verschillende hoogtepunten uit de stuccultuur in ons land zoals het rococo stucwerk van Joseph Bollina in Delft, de interieurs van Noordeinde 5 in Monnickendam en Bovenbeekstraat 21 in Arnhem en het stucwerk in Wagenaarstraat 1 en Gortstaat 30 in Middelburg. 

Het waren Noord-Italiaanse vaklieden die in de 18de eeuw naar Holland kwamen en een belangrijke rol speelden in het maken van decoratief stucwerk op wanden en vooral plafonds. Tegen de balklagen werd op een drager van latten, een ruwe leem- of kalkmortel aangebracht, gewapend met stro of riet. Op deze onderlaag werd een fijnere mortellaag gesmeerd (het rapen).
Door het gebruik van gips en marmerpoeder kon zeer fijn werk worden gemaakt. Om de laag consistentie te geven voegde de stukadoor wel koeien- of paardenhaar toe. In de nog vochtige raaplaag schetste de stucwerker de ornamenten en voorstellingen met houtskool of krijt.

Deze werden vervolgens met de hand en met boetseerinstrumenten (troffel en paleerijzer) gemodelleerd. Zeer hoge reliëfs vulde men op met koperdraad en riet. Rond de geboetseerde ornamenten trok de stucwerker lijsten met behulp van houten mallen. Het plafond werd afgewerkt met stuifkalk (witsel).

Stucplafond Noordeinde 5 Monnickendam 312x207

18de-eeuws stucwerk in Noordeinde 5 in Monnickendam (foto Henk Snaterse)

Ondertekening voor stucwerk Wijnstraat 113 Dordrecht

Ondertekening voor stucwerk in Het Zeepaert in Dordrecht

Stucwerk Gemeenlandshuis Amsterdam

Stucwerk door Christiaan Wittenbeeker in het Gemeenlandshuis aan de Diemerzeedijk in Amsterdam

Leidekkers en loodgieters

Loodgieters hielden zich bezig met de kostbare materialen lood en tin, gebruikt voor dakbedekkingen, goten, pijpen, leidingen en rioleringen. In de 19de eeuw kwam daar ook de toepassing van zink bij, een materiaal dat makkelijker geknipt, gevormd en gesoldeerd kon worden.

Met soldeer verbond de ‘loetghieter' stroken lood met elkaar. Een mengsel van lood en tin werd daartoe gesmolten in een loodlepel boven een vuur van gloeiende kooltjes, meestal op straat. De loodgieter had vele soorten gloeiende soldeerbouten tot zijn beschikking. De ijzeren bouten werden in vuurpotten verhit en vervolgens op het dak gehesen. Het laat zich raden dat het loodgieterswerk regelmatig brand veroorzaakte. 

Voor het bewerken van lood beschikte de loodgieter over gereedschappen als houten kloppers, hamers, scharen, schrapers en messen. Op oude daken van huizen van de Vereniging worden regelmatig historische trotseerloodjes aangetroffen. Deze kleine lapjes lood, gegoten of geknipte schildjes, werden gebruikt om spijkers, waarmee daklood was vastgespijkerd, te bedekken. Ze zijn vaak voorzien van initialen, jaartallen en afbeeldingen van gereedschappen. 

De attributen van de steenhouwers metselaars loodgieters en leidekkers

De attributen van de steenhouwers, de metselaars, de loodgieters en de leidekkers

Dak gelegd met leien 312x415

Dak gelegd met leien op de Hoofdtoren in Hoorn

trosteerloodjes 2

Trotseerloodjes

Daken van belangrijke gebouwen als kerken, stadspoorten, raadhuizen en adellijke huizen werden wel met leistenen gedekt. Veel loodgieters beoefenden ook het vak van ‘leydecker'. Vaak waren leidekkers en loodgieters dan ook in hetzelfde gilde verenigd. De leistenen werden aangevoerd over de rivieren uit steengroeven in de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en Duitsland. De dunne leien stenen konden rechthoekig of schubvormig gemaakt worden.

Leidekkers maakten op het dak gebruik van draden op het dakbeschot waarlangs de leien, elkaar overlappend, werden gelegd en met nagels vast geslagen. Om leien naar het dak te brengen gebruikte de leidekkers manden en ezels, bakjes die op de rug werd gedragen.
De leidekkershamer was het voornaamste instrument om mee te hakken, gaten te slaan en te hameren.

Glazenmakers

De ‘glasemaeker' was een ambachtsman die glas sneed, glas in lood plaatste en glasruiten in vensters aanbracht. Het maken van glas en glasvensters heeft een interessante ontwikkeling doorgemaakt. Al in de middeleeuwen werden kleine stukjes glas in gegoten loden strippen gevat.

Vensterglas in de renaissancetijd werd in werkplaatsen in schijven gemaakt met de slingermethode. Een bol vloeibaar glas werd met een ijzeren staaf uitgeslingerd tot een grote schijf. Deze werd van de staaf gebroken en in kleine betrekkelijk vlakke ruitjes gesneden waarin de cirkelstructuur zichtbaar bleef. Deze ruitjes werden door de glazenmaker in lood gezet, soms in complexe geometrische vormen. De loodstrippen soldeerde hij met tin aan elkaar.

Pui met glas in lood Bossuhuizen Hoorn

Pui met glas-in-lood. Bossuhuizen - Hoorn

Amsterdam Bloemgracht pui foto Reindert Groot 312x252

Pui Bloemgracht, Amsterdam (foto Reindert Groot)

In de tweede helft van de 17de eeuw lukte het steeds beter om holle glascilinders te blazen. Deze werden opengesneden en vlak gebogen. Hierdoor kon men grotere, tamelijk vlakke en spanningsvrije ruiten maken. Deze werden door de glazenmaker niet meer in lood gezet, maar met stopverf in houten roeden. Kenmerkend voor cilinderglas is het oneffen karakter.

Amsterdam Huis Bartolotti venster foto Arjan Bronkhorst

Amsterdam - Huis Bartolotti (foto Arjan Bronkhorst)

Dordrecht De Onbeschaamde trappenhuis foto Reindert Groot

Dordrecht - glas in het trappenhuis van Huis De Onbeschaamde (foto Reindert Groot)

Glas en staal in huis Hildebrand Blaricum 312x207

Glas en staal in Huis Hildebrand in Blaricum (foto Wijnanda Deroo)

De geleidelijke ontwikkeling naar steeds grotere ruitmaten leidde tot een ontwikkeling in venstertypen die grote invloed had op de architectuur: van kleine glas- in loodruitjes in kruiskozijnen, tot schuifvensters met houten roeden in de 18de eeuw, empireramen in de Franse tijd, T-vensters in de late 19de eeuw en grote glazen puien in stalen kozijnen bij het Nieuwe Bouwen in de 20ste eeuw. Deze ontwikkeling, evenals het decoratieve gebruik van glas in het interieur, is goed te volgen aan de hand van het huizenbezit van de Vereniging.

Goudleermakers, behangselschilders en behangers

Het woord 'behang' komt van 'behangsel'. In de middeleeuwen bestond de wandafwerking in de zalen van kastelen en adellijke huizen uit textiele behangsels, zoals wandtapijten, die los tegen de muren werden 'gehangen' en die meegenomen konden worden. Pas vanaf de 17de eeuw zijn behangsels nagelvast.

Goudleer was één van de duurdere materialen die in de 17de en 18de eeuw gebruikt konden worden als kamerbehangsel. Vellen kalfsleer werden in fabriekjes met bladzilver bedekt en door dit vervolgens met een geelbruine vernis te bestrijken verkreeg het leer zijn ‘gouden' kleur. Met verf en stempeltjes werd het leer verder bewerkt. Het huis Noordeinde 5 in Monnickendam en het Weeshuis van Schiedam hebben kamers met een oorspronkelijk goudleerbehangsel.

Monnickendam Noordeinde 5 detail goudleerbehang 312x

Monnickendam - Noordeinde 5 - goudleerbehangsel uit 1746 (foto Henk Snaterse)

delft oude delft 49 foto arjan bronkhorst 312x204

Delft - Oude Delft 49 - rood velours uit 1759 (foto Arjan Bronkhorst)

amsterdam huis bartolotti detail beschilderd linnen behangsel ca. 1760

Amsterdam - Huis Bartolotti - beschilderd linnen behangsel uit ca 1760 (foto Judith Bohan)

Zeer kostbaar waren ook stoffen bespanningen, van trijp, zijde, damast en andere weefsels. De Vereniging bezit fraaie voorbeelden, zoals de 18de-eeuwse bespanningen die in Oude Delft 49 in Delft en Huis Van Brienen in Amsterdam bewaard zijn gebleven.

Geschilderde kamerbehangsels, op doek of papier, waren vaste decoratieve elementen in de koopmanshuizen en buitenplaatsen van de 17de en 18de eeuw. Ze variëren van zeer kostbaar, gemaakt door de beste fijnschilders, tot relatief eenvoudig, gemaakt door behangselschilders in fabriekjes waarvoor geadverteerd werd. De decoraties variëren van decoratieve patronen tot Italiaanse en Hollandse landschappen. De Vereniging heeft prachtige voorbeelden waaronder onder andere de geschilderde kamerbehangsels in Huis Bartolotti en Herengracht 524 in Amsterdam, de buitenplaats Sparrendaal in Driebergen en het huis Bovenbeekstraat 21 in Arnhem.

In de loop van de 18de en vroege 19de eeuw wordt bedrukt papierbehang steeds vaker toegepast. De productie was arbeidsintensief. Vellen handgeschept papier, men kon nog geen papierbanen maken, werden in behangfabriekjes met blokken bedrukt. In deze blokken waren patronen in reliëf gesneden. Voor elk onderdeel van het motief dat een andere kleur had, was een blokdruk nodig en vaak werd het behang ook nog met de hand beschilderd. De papiervellen werden door de behanger geplakt op een betengeling met grof linnen en grondpapier.
Kostbaar papierbehang werd vooral uit Engeland en Frankrijk geïmporteerd en verkocht in winkels en door handelsreizigers. Beroemd zijn de Franse papieren 'panoramabehangsels' die ook in ons land verkocht werden. De bovendeurstukken in buitenplaats Sparrendaal in Driebergen zijn een voorbeeld van de import van Chinees papierbehang in de 18de eeuw. 

delft oude delft 49 fragment papierbehang ca. 1790 2

Delft - Oude Delft 49 - fragment papierbehang uit ca 1790

amsterdam huis bartolotti fragment historisch papierbehangl laatste kwart 18de eeuw 217

Amsterdam - Huis Bartolotti - fragment papierbehang uit het laatste kwart 18de eeuw (foto Judith Bohan)

amsterdam huis bartolotti fragment papierbehang 217

Amsterdam - Huis Bartolotti - fragment papierbehang uit ca 1900 (foto Judth Bohan)

In de 19de eeuw verdringt papierbehang definitief de andere vormen van wandbekleding. Er komen meer fabriekjes en het behang wordt goedkoper. Bij vondsten blijkt steeds weer hoe kleurrijk het behang was.
Papierbehangsels zijn vaak voorzien van losse sierranden. Vaak imiteerde men geplooide stoffen en draperieën.
De blokdruk wordt in het midden van de 19de eeuw vervangen door lange banen industrieel vervaardigd papier die langs walsen en verfbaden werden geleid. Naast kostbaar kunstenaarsbehang verovert eenvoudig papierbehang als massaproduct de markt.