Bouwers in het verleden
Glazenmakers
De ‘glasemaeker' was een ambachtsman die glas sneed, glas in lood plaatste en glasruiten in vensters aanbracht. Het maken van glas en glasvensters heeft een interessante ontwikkeling doorgemaakt. Al in de middeleeuwen werden kleine stukjes glas in gegoten loden strippen gevat. 
Vensterglas in de renaissancetijd werd in werkplaatsen in schijven gemaakt met de slingermethode. Een bol vloeibaar glas werd met een ijzeren staaf uitgeslingerd tot een grote schijf. Deze werd van de staaf gebroken en in kleine betrekkelijk vlakke ruitjes gesneden waarin de cirkelstructuur zichtbaar bleef. Deze ruitjes werden door de glazenmaker in lood gezet, soms in complexe geometrische vormen. De loodstrippen soldeerde hij met tin aan elkaar.
In de tweede helft van de 17de eeuw lukte het steeds beter om holle glascilinders te blazen. Deze werden opengesneden en vlak gebogen. Hierdoor kon men grotere, tamelijk vlakke en spanningsvrije ruiten maken. Deze werden door de glazenmaker niet meer in lood gezet, maar met stopverf in houten roeden. Kenmerkend voor cilinderglas is het oneffen karakter..jpg)
De kleur van glas wordt bepaald door de in het grondstoffenmengsel aanwezige mineralen. Voor de helderheid voegde men vanaf de 18de eeuw men wel mangaanoxide toe. Mangaan verkleurd echter door het zonlicht, waardoor oud glas soms een paarsige kleur krijgt, zoals in sommige huizen van de Vereniging te zien is.
De geleidelijke ontwikkeling naar steeds grotere ruitmaten leidde tot een ontwikkeling in venstertypen die grote invloed had op de architectuur: van kleine glas- in loodruitjes in kruiskozijnen, tot schuifvensters met houten roeden in de 18de eeuw, empireramen in de Franse tijd, T-vensters in de late 19de eeuw en grote glazen puien in stalen kozijnen bij het Nieuwe Bouwen in de 20ste eeuw. Deze ontwikkeling, evenals het decoratieve gebruik van glas in het interieur, is goed te volgen aan de hand van het huizenbezit van de Vereniging.